FAQ 2017-10-21T20:09:54+00:00

FAQ

Onder ijkcurve verstaat men de maximaal mogelijke kanaalsnelheid die de luchtvolumeregelaar kan regelen. SCHAKO legt deze waarde standaard vast op 12 m/s.

Via de potentiaalvrije wisselcontacten van de relaismodule kunnen storings- en alarmmeldingen aan andere apparaten worden doorgegeven. Een signaaltechnisch onderscheid tussen alarm en storing is daarbij echter niet mogelijk.

Elk liftbedrijf of elke onderneming die bevoegd is voor werken in liftschachten kan een GREENKIT-systeem inbouwen, want het systeem wordt klaar voor aansluiting geleverd. Manuele vaardigheden leveren daarbij natuurlijk een voordeel op - dat staat buiten kijf.

Bij de plaatsing van luchtvolumeregelaars zijn in het algemeen aanstroomtrajecten te voorzien, die minstens 1 x de diameter bij ronde regelaars en minstens 1 x de diagonaal bij hoekige regelaars moeten bedragen. Er moeten verschillende aanstroomtrajecten overeenkomstig verschillende onderdelen (bogen, brandwerende kleppen, geluiddempers enz.) worden voorzien (zie documenten bij de folder).

Bij SCHAKO komen de bestelmaten resp. bestelgrootten van alle ventilatieroosters overeen met de noodzakelijke inbouwopeningen die ter plaatse nodig zijn. Bij de KG 8 van grootte 315x115 is daarom een inbouwopening met de maten 315 mm op 115 mm noodzakelijk.

De actuele lijst met levertijden vindt u hier. De leveringstermijnen worden voor alle beschikbare SCHAKO-producten dagelijks aangepast.

Het onderscheid bestaat erin dat het medium in het kanaal door de dynamische sensor stroomt en niet door de statische sensor. Bij vervuilde resp. agressieve lucht in het kanaal moet daarom een statische sensor worden gebruikt.

De filtercellen moeten worden vervangen als de filtercellen beschadigd werden of als het maximaal gedefinieerde einddrukverlies van 500 Pa is bereikt. Bovendien is een regelmatige vervanging van de filtercellen ook uit economisch oogpunt zinvol om de energiekosten voor de ventilatie te verlagen. Ook moeten de hygiënische randvoorwaarden, de plaatselijke onderhoudsschema's en de wettelijke richtlijnen in acht worden genomen - zie ook VDI 6022.

Nagenoeg nieuwe SCHAKO-filtercellen hebben een aanvangsdrukverlies van 250 Pa bij nominale volumes. SCHAKO beveelt aan om de filter te vervangen als bij de dagelijkse exploitatie bij nominaal vermogen het einddrukverlies de grens van 500 Pa heeft bereikt. Alleen zo vermijdt u onnodig energieverlies in het toevoerluchtbereik door verhoogde toevoerluchtprestaties.

Bij de filterlektest overeenkomstig DIN EN ISO 14644-3 gaat het om een controle van het volledige filtersysteem: het filtermedium, de filterschijf en de pakking van de filterschijf. De controle wordt met gekalibreerde meetsonden in de in situ scanprocedure uitgevoerd - en dient om te bevestigen dat het filtersysteem correct is ingebouwd en om te controleren of er tijdens het gebruik geen lekken zijn ontstaan.

Bij de dichtheidstest wordt de lekvolumestroom uit de holle ruimte van de testssleuf bij een overdruk van 2000 Pa gemeten. Deze lekvolumestroom mag niet hoger zijn dan maximum 0,003 % van de nominale volumestroom. De lekvrijheid van het filterelement wordt met deze controle echter niet gemeten. Deze moet bij eindstandige filtercellen vanaf H13 afzonderlijk met een lektest overeenkomstig DIN EN ISO 14644-3 en DIN 1946-4, VDI 2083 en DIN EN ISO 14644 worden uitgevoerd.

Hoewel de filterkasttypes FKU en FK-FF optisch vergelijkbaar zijn, zijn ze niet identiek. Afhankelijk van de grootte is de FK-FF tot 20 mm hoger. FKU en FF onderscheiden zich in de dichtingstechnologie van de filtercellen. De FKU van SCHAKO heeft een filtercel met droge pakking, ofwel als vlakke pakking of als U-profielpakking. Hierdoor is een dichtheidstest overeenkomstig VDI 3803, blad 4 mogelijk. Bij de SCHAKO-filterkast FK-FF wordt in plaats van een filtercel met droge pakking een gelpakking gebruikt. De dichtheidscontrole voor filtercellen vanaf klasse H13 gebeurt met behulp van een lektest.

De oliehechtingstest is bij alle SCHAKO-filtercellen de standaard testprocedure en stemt in de uitvoering overeen met DIN 1822-4. De scantest komt ook overeen met deze DIN-norm en kan op verzoek tegen meerprijs worden uitgevoerd.

Het rookmeldsysteem beschikt niet over autonome businterfaces.

Bij standaard luchtvolumeregelaars gaat het om trage regelaars met een looptijd van 150 seconden voor de 90°-klepverstelling. Speciale luchtvolumeregelaars met snellopende aandrijving zijn met een duidelijk kortere looptijd onder 3 sec. voor de 90°-klepverstelling beschikbaar.

Beide regelaars zijn functioneel identiek, met één verschil: MP-regelaars zijn geschikt voor bussen, dat betekent dat de klepstand door de regelaar kan worden uitgelezen en aan een ander controleorgaan kan worden doorgegeven. Bij MF-regelaars is deze functie niet ingebouwd. MF-regelaars zijn daarom niet geschikt voor bussen.

Bij deze regelfunctie wordt de geïntegreerde CAV-/VAV-regelfunctie uitgeschakeld en werkt de regelaar als continue stelaandrijving met geïntegreerde luchtvolumesensor.

Er zijn twee mogelijkheden om geprogrammeerde regelaarwaarden op de locatie te wijzigen: ofwel met een pc-tool of met een diagnose-/serviceapparaat. Met beide procedures kunnen Vmin, Vmax en de regelaarmodus acheraf worden aangepast. Het nominale luchtvolume (ijkcurve) kan echter niet worden gewijzigd. Dit kan alleen worden gedaan door de fabrikant van de luchtvolumeregelaarbox.

De regeling van de luchtvolumeregelaars kan gebeuren via schakelcontacten. Men spreekt dan van een CAV-bediening (Constant Air Volume). De regeling gebeurt niet via een constant signaal van 0 - 10 V. Via schakelcontacten worden er verschillende regelstatussen zoals geforceerd DICHT, Vmin, Vmax of OPEN gestuurd.

Wordt het feedbacksignaal naar de schakelkast per kabel teruggeleid, dan kan de regeltechniek in de schakelkast dit signaal interpreteren en verwerken. Dienovereenkomstig kunnen rechtstreeks vanuit de schakelkast ook achteraf corrigerende regelaarinstellingen worden uitgevoerd, afhankelijk van de wens van de operator.

Het geleidingssignaal en het feedbacksignaal stemmen alleen overeen als Vmin = 0 m³/u (0 %à en Vmax = Vnenn (100 %) zijn geprogrammeerd.

Bij gebrek aan lucht, dus bij weinig luchtvolume in de ventilatie-installatie, gaat de luchtvolumeregelaar over naar de maximaal mogelijke open stand, om de doorstroomweerstand zo klein mogelijk te houden. Het klepbad is daarom wijd geopend.

In het algemeen zijn de luchtvolumeregelaars van SCHAKO in het temperatuurbereik van 0° Celsius tot 50° Celsius inzetbaar.

Bij de luchtvolumeregelaars VRA-R-E, VRA-R-E Smart en VM-PRO-R zijn er isolatiemantels met een dikte van 20 mm (DS20mm) en isolatiemantels met vlak bed met een dikte van 2 mm. Bij de luchtvolumeregelaar VRA-Q-E zijn er alleen isolatiemantels met een dikte van 40 mm (DS40mm). Bij de luchtvolumeregelaars VRA-Q-E-Smart en VM-PRO-Q zijn er alleen isolatiemantels met een dikte van 20 mm (DS20mm) leverbaar.

Het feedbacksignaal is een analoog spanningssignaal en het heeft altijd betrekking op het nominale luchtvolume van de luchtvolumeregelaar. Indien het nominale volume (Vnenn) wordt geregeld, dan geeft de regelaar een feedback van 10 V, bij 0 m³/u geeft de regelaar ofwel een feedback van 0 V (regelaarmodus 0 - 10 V) of 2 V (regelaarmodus 2 - 10 V).

Onder de aansturing verstaat men het analoge signaal van een sensor resp. een gebouwenbeheertechniek voor de luchtvolumeregelaar. Afhankelijk van de modus van de regelaar (0-10 V of 2-10 V) reageert de regelaar verschillende op deze aansturing (zie punt 1).

Bij de regelaarmodus 0 - 10 V wordt Vmax met 10 V en Vmin met 0 V aangestuurd, bij de regelaarmodus 2 - 10 V wordt Vmax met 10 V en Vmin met 2 V aangestuurd.

Thermisch wel, want de buiten- en binnenisolatie van de aansluitkasten bestaat uit het materiaal ARMAFLEX - een flexibel isolatiemateriaal om dauwwater te voorkomen met een microcelstructuur voor een goede vormvastheid. De hoge waterdampdiffusieweerstand vermindert energieverliezen en het risico op corrosie onder de isolatie.

Volgens de wettelijke specificaties ligt de verantwoordelijkheid voor de goede werking van een rookmelder bij de operator zelf. Dienovereenkomstig beveelt SCHAKO minstens 1x per jaar een werkingscontrole aan. De controle zelf moet overeenkomstig de specificaties in de technische documentatie worden uitgevoerd. Dienovereenkomstig verwijzen we hier naar de actuele RMS-documenten.

De afdekschijf van de rookmelder RMS bestaat uit polyamide. De indruk dat het glas is ontstaat door de zeer hoge transparantie.

De aansluitschema's en de contactconfiguratie zijn onderdeel van de technische documentatie van de RMS en zijn beschikbaar op de website van SCHAKO, hier.

Een directe aansturing van meerdere brandwerende kleppen is met dit systeem jammer genoeg niet mogelijk. Deze toepassing is echter mogelijk via een cascadering (relais en/of schakelaar). De cascadering gebeurt dan via de potentiaalvrije wisselcontacten van de relaismodule.

De beide meldingen [Storing] en [Alarm] verschillen fundamenteel. De storingsmelding kan worden gereset. Bij de RMS gebeurt dit automatisch zodra een einde is gemaakt aan de oorzaak van de storing. Een alarmmelding daarentegen moet door de operator manueel via een resetknop worden gereset. De overeenkomstige led-weergaven en resetknoppen bevinden zich op de relaismodule RM.

Nee. Coulissen van membraanabsorbers zijn alleen verkrijgbaar met een dikte van 100 mm.

Coulissen van geluiddempers van SCHAKO zijn uitgerust met een nozzlevormig frameprofiel voor een duidelijke verlaging van het drukverlies. Daarom is een aanvullende aanstroomplaat niet nodig.

Standaard worden de Metuprofielen M2 en M3 gebruikt. Desgewenst en zonder meerprijs zijn ook de uitvoeringen Metu M2 en Metu M4 leverbaar. Bij de aanvullende geluiddempers ZSQ voor VM-PRO-Q is het Metu-profiel M2°en voor VRA-Q het Metu-profiel M3 de standaarduitvoering.

Onder rookafzuiging verstaat men een koude ontroking om na een brand de rook uit het gebouw te brengen. Dienovereenkomstig is de rookafzuiging ook niet van invloed op de veiligheid (bouwreglementen C deel 3.10). Onder rookafvoer verstaat men de ontroking bij brand met inbegrip van warmteafzuiging, (EN 12101 – deel 2). Een rookafvoer is dus een bouwproduct dat van invloed is op de veiligheid, dat in bouwreglementen B deel 1 wordt vermeld.

Nee. Een NRWG is niet voorzien voor inbouw in een kanaalsysteem of voor afsluiting op een kanaal en mag in deze gevallen niet worden gebruikt.

De beide types onderscheiden zich overeenkomstig hun toepassing (diepte van de behuizing). De JK-180MB is geschikt voor de verzonken inbouw in muren resp. plafonds en voorzien van een extra montageplaat. De JK-190 beschikt over een diepere behuizing en is dus voorzien voor opbouwmontage. Door de diepere behuizing wordt voorkomen dat de lamellen langs het metselwerk strijken (slijtage).

Aerodynamisch effectief betekent dat het gedrag van de uit de opening wegtrekkende stroming langs het openingsoppervlak een bepaalde karakteristiek moet hebben. Want een NRWG ventileert alleen door dit autonome, natuurlijke stroomgedrag - helemaal zonder motorische ondersteuning. Niet alle deelvlakken van het openingsoppervlak zijn relevant voor deze stromingskarakteristiek. Het effectieve openingsoppervlak Aa - ook aerodynamisch relevant openingsvlak genoemd - wordt in een experimentele procedure bepaald. De details worden geregeld in bijlage B van de norm EN 12101-2.

Bij de rook- en warmtebeheersingsinstallaties zijn er vier verschillende werkwijzen:

  • NRA – Natürliche Rauchabzugsanlagen (natuurlijke rookafvoerinstallaties): installatie voor de afzuiging van rook door natuurlijke druk bij brand
  • MRA – Maschinelle Rauchabzugsanlagen (machinale rookafvoerinstallaties): installatie voor de machinale afzuiging van rook met ventilatoren
  • RDA – Rauchschutz-Druckanlagen (rookwerende drukinstallaties): installatie om de binnendringing van rook te voorkomen en rook af te zuigen met behulp van een drukverschil
  • WA – Wärmeabzug (warmteafvoer): installatie voor de natuurlijke en machinale afzuiging van warmte

Een NRWG bestaat altijd uit een jaloezieklep, een venstervleugel, een dakluik of een lichtkoepel, bovendien heeft elke NRWG een specifiek openingsmechanisme en een onafhankelijke activeringseenheid. Overeenkomstig EN 12101-2 moeten alle NRWG die op de markt worden gebracht CE-gecertificeerd zijn. De dimensionering, vereisten en inbouw van natuurlijke rookafvoerapparaten (NRA: Natürliche Rauchabzugsanlagen) zijn in DIN 18232-2 geregeld.

Een NRWG is het centrale onderdeel van een zogenaamde RWA- een Rauch- und Wärmeabzugs-Anlage (rook- en warmteafvoerinstallatie). De RWA is een veiligheidsuitrusting voor preventieve brandbeveiliging en dient bij brand voor het afzuigen van rook en warme gassen uit een gebouw, resp. bouwwerk.

NRWG staat als afkorting voor Natürliches Rauch- und Wärmeabzugs-Gerät (natuurlijk rook- en warmteafvoerappaat) en duidt daarmee aan waarvoor het werd ontwikkeld.

In termen van klimaat is het geen goed idee om een liftschacht op natuurlijke wijze in de richting van de binnenkant van een gebouw te ventileren. Dit is onvermijdelijk in strijd met de actiev brandbeveiliging en de hygiënevoorschriften. Daar waar zich automatisch de koude lucht ophoopt, ontstaan schimmels en vochtplekken. Het thermische evenwicht in het gebouw wordt verstoord. Het is beter zich te richten op beproefde klimaattechnische concepten en deze te combineren met een intelligente stuurelektronica. Het uiteindelijke resultaat is de GREENKIT van SCHAKO.

Nee. Het is namelijk wettelijk niet toegelaten een lift als actieve uitblaasschacht te gebruiken. Ventilatie en ontroking moeten afzonderlijke eenheden zijn omdat deze beide deelsystemen elkaar bij schade onderling kunnen hinderen. Afzuiging met een ventilator is in liftschachten streng verboden.

Een cabine heeft geen echt pompeffect. Daarvoor is de bewegingssnelheid van de cabine met nauwelijks 1,6 meter/sec. veel te langzaam. En bovendien is de gebruikelijke afstand tussen de cabine en de liftschacht te groot.

Ja. Alle liftschachten kunnen met een GREENKIT worden uitgerust. Bij nieuwbouw volstaat het om bij het begin de noodzakelijke plaats voor een ingebouwd ventilatiemodel in het schachtplafond of de schachtmuur te voorzien.

Een jaarlijkse eenmalige visuele controle van het GREENKIT-systeem volstaat. In het systeemhandboek worden deze onderhoudswerkzaamheden aan het rookmeldersysteem beschreven.

Voor gebouwen met 1 of 2 verdiepingen is het schoorsteeneffect eerder gering. De wettelijke minimale opening in de liftschacht blijft evenwel de enige ventilatieopening in een energiezuinig gebouw. In deze situatie pleiten echter ook andere factoren voor de voordelen van de GREENKIT. De volgende drie voorbeelden benadrukken de relevantie van de installatie van de GREENKIT.

  • in privéwoningen zijn er vaak geen brandcompartimenten tussen de liftschacht en het resterende deel van het gebouw. De natuurlijke ventilatie zuigt de lucht naar boven en genereert een onderdruk. Er is een continue interactie tussen warm en koud. In de zomer wordt deze toestand versterkt omdat de klimaatregeling, door het genereren van verse lucht, het binnendringen van warmte bevordert. Zonder brandcompartimenten dringen de warmte van de zomer en de koude van de winter rechtstreeks in de ruimte binnen, wat de energiebehoefte aanzienlijk verhoogt.
  • bestaande gebouwen, die slecht geïsoleerd zijn, genereren hoge warmteverliezen. De GREENKIT maakt het mogelijk deze warmteverliezen te beperken.
  • in gebouwen voor commercieel gebruik (regelmatig binnen- en buitengaan) wordt de lift bijzonder veel gebruikt. Door deze luchtstromingen kan meer koude lucht binnendringen, wat de inbouw van een GREENKIT des te noodzakelijker maakt.

Het GREENKIT-systeem maakt een optimale ventilatie met wisselende openings- en sluitcycli, maar alleen als dit echt nuttig is, bijvoorbeeld bij rook, onderhoudswerken, noodgevallen of bij gebruik van de lift. Een intelligente stuurelektronica herkent de desbetreffende feitelijke staat en reageert hierop naargelang de omstandigheden.

Nee, want voor de afvoerlucht van keukens in de industrie schrijft de wetgever speciale brandwerende kleppen voor. Natuurlijk heeft SCHAKO ook voor deze toepassing het passende aanbod: de afsluitvoorziening FIRESAFE®II K90.

De brandwerende kleppen van SCHAKO van het type BSK-RPR kunnen ook achteraf ter plaatse voor motorische terugloop van de kleppen worden omgebouwd. SCHAKO heeft hiervoor een ombouwhandleiding gemaakt, die u als PDF hierhier en hier kunt downloaden. Meer details zijn te vinden in deze ombouwhandleiding.

De brandwerende kleppen van SCHAKO van het type BKA-EN kunnen ook achteraf ter plaatse voor motorische terugloop van de kleppen worden omgebouwd. SCHAKO heeft hiervoor een ombouwhandleiding gemaakt, die u als PDF hier en hier kunt downloaden. Meer details zijn te vinden in deze ombouwhandleiding.

Voor veel brandwerende kleppen levert SCHAKO passende vervangende smeltloden, als bijvoorbeeld bij een controle de werking van de kleppen werd getest en daarbij het smeltlood werd losgemaakt hier.

U vindt de overeenkomstige PDF-documenten het snelst op de SCHAKO-website in het gedeelte Producten. Deze kunnen onmiddellijk worden gedownload. Indien u uw product daar niet vindt, stuur ons dan een e-mail. Wij bezorgen u dan een cd met PDF's.

Aanslagdichtingen op brandwerende kleppen vervangen vanwege een gedeeltelijke sanering is bij veel SCHAKO-producten mogelijk. SCHAKO kan de overeenkomstige vervangende dichtingen voor bijna alle geleverde brandwerende kleppen leveren. Er is speciale informatie over een gedeeltelijke sanering van oude brandwerende kleppen te downloaden als PDF-document hier.

Ja, dat kan. Weliswaar moeten de ventilatorconvectoren dan met een continue EC-regeling zijn uitgerust, zoals SCHAKO op verzoek voor bijna alle ventilatorconvectoren kan leveren.

In het algemeen moeten de revisieopeningen ongeveer 100 mm groter zijn dan de overeenkomstige apparaten, om alle vereiste onderhoudsbeurten volgens VDI6022 te kunnen uitvoeren.

SCHAKO-ventilatorconvectoren kunnen met veel SCHAKO-luchtroosters worden gecombineerd. Bij de convectorconfiguratie moet echter zeker rekening worden gehouden met de vereiste drukverliezen.

De maximale externe persing bij de SCHAKO-ventilatorconvector Aquaris Silent bedraagt  ongeveer 70 Pa, bij de SCHAKO-ventilatorconvector NBS 100 van 5 tot 150 Pa en bij de SCHAKO-ventilatorconvector NBS 150 van 40 tot 250 Pa.

U vindt de concrete relatie van deze beide waarden Vmax en Vmittel in de regel rechtstreeks in het overeenkomstige schema of ook in de legende van de technische documentatie van het SCHAKO-product.

Ja, dat is er, en wel als projectgebaseerde speciale oplossing tegen meerprijs.

Bij het gebruik van SCHAKO-inductieunits kan de ontwerper zeer flexibel reageren. Tot een individuele lengte van 3000 mm kunnen de inductieunits echt flexibel aan het desbetreffende plafondrooster worden aangepast. Bij nog langere lengten kunnen meerdere apparaten achter elkaar ook als banduitvoering worden geleverd.

Dat hangt van de vereiste prestaties af. SCHAKO beveelt in het algemeen een spreiding van 3-4 graden aan.

Dit kan eenvoudig worden berekend: bij een kamertemperatuur van 26 graden Celsius en 50 procent relatieve vochtigheid ligt het dauwpunt bij precies 14,77 graden. Dienovereenkomst kan de voorlooptemperatuur van het water tot 16 graden Celsius bedragen. Zolang bent u veilig met alle apparaten. Bij ontwerpspecificaties waarbij lagere voorlooptemperaturen van het water worden voorzien, moeten inductieunits met een condensbak worden uitgerust, bijvoorbeeld de SCHAKO-types DISA-W en DISA-WSP. De SCHAKO-inductieunits DISA-300, DISA-601, DISA-360, DISA-B en DISA-H worden zonder condensbak geleverd en moeten daarom in het algemeen in een condensvrije omgeving worden aangedreven; dus steeds boven het kritieke dauwpunt.

De SCHAKO-inductieunits met condensvrije koeling zijn nagenoeg onderhoudsvrij. De reiniging van de warmtewisselaar gebeurt in de regel in overeenstemming met de zichtbare vervuilingsgraad. Hiervoor is er geen onderhoudsinterval dat in de tijd is vastgelegd. Bij inductieunits met condensbak gelden de onderhoudsvoorschriften van VDI 6022.

Uiteraard. Deze functie is standaard voor alle SCHAKO-inductieunits. De ontwerper moet er echter rekening mee houden dat een betrouwbare verwarmingsfunctie slechts tot op een maximale inbouwhoogte van 3 meter gegarandeerd is. Tegelijkertijd mag om technische redenen de voorlooptemperatuur van het water maximum 40 graden Celsius bedragen.

Om de veilige werking te waarborgen, legt SCHAKO voor alle inductieunits een drukverlies van minstens 40 Pa vast. Zo garandeert u een goede werking.

Normaal niet. Revisie- of onderhoudsopeningen zijn gewoonlijk alleen vereist bij onderdelen en apparaten die met regelcomponenten zijn uitgerust.

Het EasyBus-systeem kan ook met een commercieel gebruikelijke rondkabel met aderdoorsnede 2,5 mm² worden bekabeld resp. met standaardbekabeling tot stand worden gebracht. Wie echter de voordelen van de snelle EasyBus-bekabeling heeft gezien, zal slechts zelden voor de oude bekabelingstechniek kiezen. Dat spaart tijd en geld. Bovendien sluiten de vlakbandkabels een verkeerde bekabeling van de modules uit.

Er kunnen 128 modules per master worden aangesloten. Elke module beschikt baarbij over een aansluitkabel van ca. 1,5 meter lang. Bij een rechtstreekse toevoer naar de apparaten van hoogstens 200 meter bedraagt de maximale restlengte van de vlakkabel ongeveer 800 meter.

SCHAKO beveelt omwille van veiligheidsredenen het gebruik van halogeenvrije kabels aan. Het EasyBus-systeem kan echter ook met traditionele pvc-kabels worden besteld en geconfigureerd. De technische functionaliteit is hetzelfde met beide kabeltypes. Halogeenkabels hebben een reeks voordelen, dienaargelang het geval doorslaggevend zijn. Haloggenvrije kabels ontwikkelen bij brand geen corrosieve gassen, verhogen de brandlast duidelijk minder dan pvc-kabels en produceren zelfs weinig rookontwikkeling. Bovendien zijn ze binnen de normale marges bestand tegen zoutzuur. Daarom worden vooral bij datakabels steeds meer halogeenvrije kabelommantelingen gebruikt.

De module kan men aan de hand van zijn uiterlijk en zijn binnenkant zeer goed onderscheiden. Ook staat op elke moduleprintplaat de precieze typeaanduiding. Een vakman zal dus geen moeilijkheden hebben bij de installatie.

De EasyBus-componenten zijn gecertificeerd volgens beschermingsklasse IP40. Dienovereenkomstig zijn ze beschermd tegen indringing van zogenaamde vaste deeltjes tot een diameter van 1 mm. Bescherming tegen de indringing van water is bij IP40 niet voorzien, want EasyBus-onderdelen zijn alleen gedefinieerd voor gebruik in een droge omgeving - wat bovendien voor alle elektronische onderdelen geldt, die niet voor een vochtige omgeving moeten worden voorzien.

Een modern en flexibel bussysteem zoals Easybus kan niet door leken in dienst worden genomen. Dat geldt voor alle bussystemen die in de handel verkrijgbaar zijn. Hier is gekwalificeerd personeel nodig. Alleen dit kan de goede werking garanderen. Daarbij is steeds een ingreep via software nodig, die de klant voor een zeer bijzondere taak nodig heeft. Leken in bussystemen kunnen bepaalde voorafgaande werken toch zelf uitvoeren. De indienstneming en de configuratie moeten echter steeds door een vakman worden uitgevoerd.

Het EasyBus-systeem is flexibel in termen van aanpassingen resp. uitbreidingen. Er kunnen te allen tijde modules binnen de specificaties worden uitgebreid.

Het EasyBus-systeem wordt nauwelijks beïnvloed door parallel getrokken elektriciteitskabels. Het EasyBus-systeem is namelijk een Powerline-systeem, dat een datapakket in een stroomvoerende kabelomgeving overdraagt. Het wordt evenwel aanbevolen de buskabel van een sterkstroomkabel te scheiden. Bij twijfel moet eventueel een afgeschermde buskabel worden gebruikt.

Het heeft inderdaad geen zin enkele afzonderlijke verbruikers via een bussysteem aan te sturen. De essentie van een bussysteem is de flexibele aansturing van vielen en vooral erg verscheiden apparatuen en onderdelen via een minimumaantal aders. Daarvoor zijn bussystemen ontwikkeld en zijn ze perfect geschikt. Ook hier geldt: het is objectafhankelijk.

De initiële kosten zijn zeker hoog. En een bussysteem met slechts 10 brandwerende kleppen zal zelden de moeite waard zijn. Men moet altijd de bekabelingskosten verrekenen die een conventioneel systeem met zich meebrengt. Een bussysteem is echter altijd veel flexibeler en comfortabeler dan een traditionele bedrading, wat op het moment van de beslissing niet alleen in geld moet worden omgerekend.

Daarbij komen er enkel op de kabelmantel hier en daar insnijdingen resp. een lichte perforatie. De kabeldraad als stroom- en datalijn blijft in elk geval intakt. Wie na het verplaatsen van de aansluitdoos de plaats met insnijdingen vakkundig wil isoleren, kan een traditionele isolatieband voor vlakkabels gebruiken. Alternatief: men plaatst een extra aansluitdoos, en belast de tot nu toe aanwezige doos gewoon op de huidige plek. Dat gaat ook.

Het ideale kabeltype voor het EasyBus-systeem is de meeraderige vlakkabel, zoals SCHAKO bijna altijd gebruikt. In combinatie met de aansluit-, resp. voedingsdoos is een snelle en perfecte bekabeling mogelijk. In principe kunnen echter ook andere kabels met een leidingdoorsnede van 2,5 mm worden gebruikt.

De beslissing voor een bussysteem hangt niet noodzakelijk af van het aantal aangebouwde onderdelen. Vaak zijn het richtlijnen inzake planning, technische of wettelijke richtlijnen die zonder een inbussysteem helemaal niet haalbaar zijn. Een van de belangrijkste voordelen daarbij is de onderhoud-op-afstand-functie van EasyBus.

In het algemeen zijn installatiekosten en apparaatbeheer met een EasyBus-systeem des te goedkoper naarmate het aantal aangebouwde onderdelen groter is. Enerzijds komt dit doordat een bussysteem kortere totale kabellengtes nodig heeft. De installatie is eenvoudiger en de volledige kabelboom is duidelijk korter, terwijl voor Easy Bus slechts een kabel moet worden gelegd. Afhankelijk van het ontwerp is EasyBus zelfs al een van de kleinste installaties.

De beslissing voor een bussysteem is niet noodzakelijk een beslissing in termen van zuinigheid. Want bijzonde regelsituaties zijn met traditionele systemen vaak niet mogelijk. Indien de kosten voor een conventioneel systeem bekend zijn, is een parallel ontwerp met het SCHAKO EasyBus-systeem altijd de moeite. Bij vergelijkbare kosten is de uitbreidbaarheid en de behoefte van de klant doorslaggevend. Want precies hier is een EasyBus-systeem in elk opzicht beter dan een conventioneel systeem.

Bij de elektrische aandrijvingen, die door SCHAKO worden gebruikt, staat er altijd een aansluitschema rechtstreeks op de aandrijvingsbehuizing. Daarnaast wordt de originele documentatie van de fabrikant van de aandrijving bij elke levering gevoegd. Het kan jammer genoeg niet worden uitgesloten dat deze verloren gaat. Op verzoek kunnen we u de aansluitdocumenten nogmaals toesturen. Daarvoor hebben we echter het ordernummer, het pakbonnummer of het factuurnummer van SCHAKO nodig.

Het SCHAKO-configuratieprogramma en de technische documentatie van de producten bevatten geen speciale afmetingen en uitvoeringen. Op verzoek kunnen echter ook bijzondere afmetingen en uitvoeringen door decennialange ervaring nauwkeurig worden berekend.

Graag. Daarvoor hebben we evenwel alle ontwerpspecificaties van de betreffende werken nodig. Neem gewoon contact met ons op. De rest regelen onze technici met u in een persoonlijk gesprek.

Voor producten die niet in de CAD-bibliotheek van SCHAKO zijn opgenomen als DXF- of DWG-record, kunnen we in individuele gevallen op verzoek de overeenkomstige CAD-gegevens ter beschikking stellen.

Er zullen jammer genoeg altijd afzonderlijke producten of productvarianten zijn die (nog) niet in het SCHAKO-configuratieprogramma zijn opgenomen. Normaal gesproken worden deze producten in de toekomst in een update van de software bijgewerkt. Tot dan mogen we u verwijzen naar de technische documentatie die u op de SCHAKO-website onder Producten als PDF kunt downloaden.

Ja. SCHAKO kan voor alle projecten individuele speciale afmetingen leveren (tegen meerprijs) zolang de kleinste of grootste serieafmeting niet aanzienlijk wordt onder- of overschreden. Voor uw concrete toepassing moeten we evenwel uw wens technisch onderzoeken. Daarom vragen we u de haalbaarheid individueel met een technicus te bespreken.

Een vergroting van de bouwhoogte van het trapsgewijs impulsrooster SIA verhoogt duidelijk het risico op tocht. Een optimale luchtverdeling is van het standpunt van SCHAKO uit slechts tot een bouwhoogte van 126 mm gewaarborgd. alleen dan blijft het in de comfortzone werkelijk tochtvrij (bij 100 m³/u/strekkende meter op een afstand van 500 mm tot de luchtuitlaat).

In principe wel, maar hier geven de respectievelijke eisen de doorslag. Bij het ontwerp moet zeker rekening worden gehouden met de juiste verbinding met kanaalsystemen of luchtleidingen.

De SCHAKO-ventilatorconvectoren zijn buitegenwoon flexibel inzetbaar. Ze kunnen zowel in de muur als in het plafond worden gebouwd en kunnen daarnaast ook als kastversie worden geleverd.

Geen probleem. Afhankelijk van de behoefen kunnen de ventilatorconvectoren van de CULTRA-serie probleemloos ook op de achterzijde worden gereviseerd.

Ja, want het EasyBus-touchscreen dient niet alleen voor het visualiseren van de installatieconfiguratie, het is ook zeer overzichtelijk vormgegeven. Statusmeldingen van het systeem zijn zonder verdere hulpmiddelen meteen herkenbaar. Via interfaces zijn echter ook andere visualisatiemogelijkheden aan te sluiten, bijvoorbeeld notebooks, iPads of vergelijkbare apparaten. SCHAKO beveelt zijn klanten echter het gebruik van een ingebouwd touchscreen aan, omdat de systeemstatus zo zonder verdere hulpmiddelen rechtstreeks kan worden gedetecteerd.

Alle brandwerende kleppen van SCHAKO worden sinds 1 augustus 1988 volledig zonder asbesthoudende stoffen gemaakt. Voor de omgang of de vervanging van oude asbesthoudende brandwerende kleppen is bij SCHAKO speciale informatie voor klanten beschikbaar, die dit onderwerp uitvoerig behandelt. Om deze info als PDF-document te downloaden hier klikken.